Dr. René Süss brengt Luthers „goede kanten” voor het voetlicht  RD -22-11-2012 | Cees-Jan Smits |   Dr. René Süss: “Mijn stelling is dat Luther in zijn slaap is overleden en dat een  huisknecht hem vroeg in de ochtend dood aantrof.”

Hij is voormalig predikant, praktiserend jood en heeft een haat-liefdeverhouding met Luther. Na zijn controversiële studie over Luthers „antisemitisme” voelde de Amsterdamse auteur dr. René Süss de „verplichting” nu ook de goede kanten van de Duitse reformator te belichten. Opnieuw stelt hij daarbij echter een geliefd beeld van Luther ter discussie.


In Amsterdam werd vandaag dr. Süss’ boek ”Luther, een sympathieke potentaat” gepresenteerd. Het vormt een tweeluik met zijn dissertatie ”Luthers theologisch testament. Over de joden en hun leugens” uit 2006. Daarin trok Süss (1939), die in 1999 zijn ambt van –vrijzinnig hervormd– predikant neerlegde en sindsdien actief is in de joodse gemeenschap, onder meer lijnen van Luthers anti-joodse uitspraken naar Hitler en diens Derde Rijk. Door Lutherkenners werd dat boek kritisch ontvangen – volgens Süss echter omdat men de reformator te veel de hand boven het hoofd wilde houden.


Zijn nieuwe studie verantwoordt hij met een verwijzing naar de joodse leer van de goede en kwade neiging in de mens. „Joden erkennen anders dan christenen geen erfzondeleer van totale verdorvenheid”, zegt Süss in zijn woning in Amsterdam.  “Het is niet acceptabel om welk mens dan ook samen te laten vallen met zijn slechte neiging. Dat was voor mij de basis om de deur naar Luther niet dicht te doen, maar opnieuw met hem in gesprek te gaan. Nu ik zijn antisemitische doopceel gelicht heb, ben ik vrij om ook zijn goede kanten voor het voetlicht te brengen.”


Mentsj


Luther zou daar met zijn boek over de onvrije wil, waarin hij juist de goede neiging in de mens ontkent, vast anders over denken, erkent de auteur. „Maar ik ga ook niet zozeer in op zijn theologie, dat komt misschien nog een andere keer. Nu gaat het mij vooral om Luther als mens. Als zodanig laat hij mij niet meer los.”

„Hij was a Mentsj”, heet het in het Jiddisch in de inleiding van het boek. Süss: „Luther was iemand die bij zijn succesvolle herontdekkingen en in een tijd dat het om de Waarheid met een hoofdletter ging, de menselijke maat niet uit het oog verloor. Een sympathieke potentaat. Zijn grootste tegenstanders, zoals Karlstadt, heeft hij nog compleet met zijn gezin met zorg omringd. En toen hij het systeem van goede werken ontmantelde, besefte hij dat er iets voor in de plaats moest komen, omdat de armen anders in een gat zouden vallen. Zoiets is ondenkbaar bij iemand als Thomas Müntzer. Die was alleen radicaal met woorden.”


Sterfbed


In het laatste hoofdstuk komt Süss tot een opvallende conclusie, waarmee hij volgens zijn uitgever „een mythe doorprikt.” Volgens vrijwel alle biografieën stierf Luther in het bijzijn van een aantal ontroerde geestverwanten tussen twee en drie uur ’s nachts een rustige dood, waarbij hij nog veel goede dingen wist te zeggen. Süss ging echter uit van een naar zijn weten niet eerder goed benut handschrift.


Wat stond daar precies in?


“Het is de eerste overlijdensaankondiging, die Luthers vriend Justus Jonas dezelfde nacht nog heeft geschreven. Daarin stond eerst dat het sterfuur vijf uur ’s ochtends was, maar later is dat doorgekrast en veranderd in het bekende tijdstip. Mijn stelling is dat Luther in zijn slaap is overleden en dat een huisknecht hem vroeg in de ochtend dood aantrof. Men kon zich echter niet voorstellen dat zo’n man Gods er zomaar opeens niet meer zou zijn. Dat zou algemeen als een straf van God hebben gegolden. Daarom is er vanwege de enorme betekenis van de reformator vrijwel direct een soort legendevorming en heiligenverering ontstaan, waarbij het werd voorgesteld alsof hij in het bijzijn van zijn vrienden een zeer waardige dood stierf. En daarbij paste een tijdstip vroeg in de nacht.”


U spreekt over zijn sterfplaats Eisleben zelfs als “Luthers Gethsémané.”


„Ja, het verhaal van zijn sterven werd getekend met trekken die herinneren aan het sterven van Jezus. De heilige was in de maak en aan heiligenverering wil ik niet meedoen. Van Luthers sterfbed werd een toneelstuk gemaakt, zoals de Lutherkenner H. A. Oberman ergens heeft opgemerkt. De roomsen hadden overigens ook hun bedoelingen en maakten er juist van dat hij zelfmoord had gepleegd.”


U hebt ook de lijn van uw proefschrift nog wat verder uitgewerkt. Wat hebt u gedaan met de kritiek?


„De nazi’s zijn met Luther aan de haal gegaan en dat blijf ik een belangrijke lijn vinden. Ik blijf er ook bij dat zijn antisemitisme erger was dan men waar wil hebben, hij was echt uit op fysieke liquidatie. Maar de nazi’s deden wel ten onrechte een beroep op Luther: hij was wel een patriot, maar geen nationalist. In mijn boek laat ik zien hoe iemand als de bekende en door alle theologiestudenten van mijn generatie bestudeerde kerkhistoricus Karl Heussi er met een beroep op Luther voor kon zorgen dat de hele liberale theologische faculteit van Jena volkomen ‘bruin’ werd en achter Hitler aan ging. En Martin Niemöller was een racist, een antisemiet en een overspannen nationalist. A. A. Spijkerboer wuift dat in zijn boek over Niemöller nog weg, maar zulke dingen mogen niet gerelativeerd worden.”


Hoe ziet u als jood, uiteindelijk, Luthers spreken over de rechtvaardiging door het geloof alleen?


„Ik vind het dus vooral heel belangrijk dat Luther daar ook iets tegenover stelde, onder andere in de vorm van een armenkas. Het verschil met het jodendom is dat wij Luthers christologische bovenbouw niet nodig hebben. God hoefde niet tot genade bewogen te worden, maar was altijd al uit genade met ons bewogen. Hij heeft de wereld lief als Zijn liefste kind. Toen ik op de christelijke basisschool zat kwam er eens een man met tranen in zijn ogen vertellen dat Jezus voor ons aan het kruis gestorven was en hoe dankbaar hij daarom was. Ik heb daar altijd een dubbel gevoel bij gehad, want hoe kun je nu blij zijn om de dood van een medemens?”


Tot zover de recensie in het Reformatorisch Dagblad van 22-11-2012.





Dr. René Süss oordeelt misschien toch wel erg makkelijk over historische feiten, die in bijzijn van zoveel getuigen, waaronder ook Luthers zonen (Paul en Martin), hun huisonderwijzer, alsook Johann Aurifaber(1) en meer anderen, plaatsvonden!


Zie, naast de vele documenten in de originele weergaven, de hieronder weergegeven brieven en verklaringen!


Hieronder volgt, om te beginnen, een deel van de eerste officiële brief over het overlijden van Luther, zoals rond 4 uur in de morgen van Luthers sterfdag, 18 februari 1546, in Eisleben geschreven en per bode verzonden is aan Keurvorst Johannes Frederik van Sachsen (hcvw).


Doorluchtige, hooggeboren Keurvorst (…) rond 11 uur is hij (dr. M. Luther) in slaap gevallen en rustte met een natuurlijke ademhaling. Daarna, genadige heer, rond 1 uur in de nacht heeft hij zijn dienaar Ambrosius, en mij, dr. Jonas, geroepen en eerst aan de dienaar gevraagd om het kamertje warm te maken. Terwijl de dienaar, die het kamertje reeds de hele nacht voor dit doel warm gehouden had, zich haastte, heeft hij tot mij gezegd: “O Heere God; dr. Jonas, hoe heb ik het zo te kwaad, het drukt mij zo zwaar op de borst, o, ik zal hier in Eisleben nog sterven.” Toen is Ambrosius en wij allen erbij gekomen en hebben hem uit bed geholpen. Als hij nu in het kamertje gekomen was, heeft hij nog wat heen en weer gelopen, daarna heeft hij om warme doeken gevraagd. Wij hebben toen beide artsen, zowel de doktor als de magister, wakker laten maken. Zij zijn dan ook met haast gekomen. Daarbij hebben wij ook graaf Albrecht wakker laten maken, die spoedig met de gravin te voet gekomen is. En hebben met aqua vitea en de medicijnen van de doktor van alles geprobeerd. Daarop is de heer Doctor (M. L.) begonnen te bidden: “Mijn hemelse Vader, eeuwige, barmhartige God, U hebt mij Uw lieve Zoon, onze Heere Christus, geopenbaard, Hem heb ik gepredikt, Hem heb ik beleden, Hem heb ik bemind, Hem vereer ik als mijn lieve Heiland en Verlosser, Die de goddelozen vervolgen, smaden en schelden, neem mijn zieltje tot U.” Daarna heeft hij driemaal uit Psalm 31 gesproken: “In manus tuas commendo spiritum meum, redemisti me, Deus veritatis,” dat is: “In Uwe handen beveel ik mijn geest; Gij hebt mij verlost, Heere, Gij getrouwe God.” En ook uit het Johannes Evangelie: “Want alzo heeft God de wereld liefgehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat allen, die in Hem geloven niet verloren gaan, maar het eeuwige leven hebben.”


Toen, genadige heer, terwijl de artsen en wijzelf de beste versterkingen toedienden, viel hij in een stilzwijgen, alsof hij weg zou zakken. Ook op ons krachtig roepen en schudden gaf hij geen enkele reactie. Als de gravin met de artsen hem echter opnieuw aqua vitea toedienden, begon hij ons – de heer M. Cölio(2) en mij, dr. Jonas – weer met ‘ja’ en ‘nee’ te antwoorden, maar wel zwak. Toen wij hem echter met krachtige stem toeriepen: ‘Allerliefste vader, u belijdt toch Christus de Zoon van God, onze Heiland en Verlosser?’ sprak hij nog eenmaal, zodat men het kon horen, zelfs met krachtige stem: ‘Ja’. Daarna werd zijn voorhoofd en gelaat koud. Hoe hard men hem ook riep, schudde en bij zijn voornaam noemde, toch gaf hij geen antwoord meer.


Hij haalde nog zacht adem en zuchtte, met de beide handen gevouwen. En, genadige heer – wat wij met bedroefde harten en veel tranen klagen – op die manier is hij in Christus ontslapen, zonder vrees, tussen 2 en 3 uur in de nacht, tegen de morgen. Graaf Albrecht en onze genadige vrouwe, de gravin, maar ook nog mijn genadige heer von Schwartzburg zijn op tijd daarbij geweest, al was het [wat de heer von Schwartzburg en zijn vrouw betreft(3) ] dan ook op het einde. (…) Genadige Keurvorst en heer, deze brief heb in haast aan de secretaris van graaf Albrecht gedicteerd, rond 4 uur, omdat wij door droefheid overmand, niet in staat waren dit alles zelf te schrijven.


De aan Uw Keurvorstelijke Genade onderdanige en gewillige dienaren,


Justus Jonas, doctor, met mijn hand, en de heer Michael Cölio, die ook zelf bij dit alles aanwezig waren.


Bron: Walch (2), zoals te vinden op onze website: http://www.maartenluther.net/sermon24.html  deel XXI b, of 21.2, kolom 3378 – 3381 (het downloaden van deze grote bestanden kan wat tijd vergen). Deze brief en de hier volgende pagina’s ná deze brief gaan over hetzelfde onderwerp, waarin nog meer berichten en verklaringen over Luthers laatste uren en ogenblikken, plus de namen van de artsen en de andere aanwezigen bij zijn sterven te vinden zijn.


(1) Johann Aurifaber: theoloog te Wittenberg en medeverzamelaar van de beroemde “Tafelgesprekken”

(2) Cölio: Michael Celius, ook wel Michael Cölius, predikant te Eisleben

(3) Zie voor meer details over het overlijden, de direct op deze brief volgende officiële verslagen in Walch (2), zoals boven genoemd. Bovendien blijkt uit deze documenten dat Luther in het huis van de familie Drachstedt niet alléén op een kamertje geslapen heeft, maar dat er gedurende de gehele nacht licht en oppas geweest is bij de reeds enige dagen steeds zieker wordende reformator.


Zeer belangrijke brief van Johann Aurifaber aan Michael Gutt te Halle


Eisleben 18 februari, 1546 (de dag van Luthers overlijden)


Aan Michael Gutt, secretaris te Halle, in de Schmerstrasse.


Ach, hoe doet het mij nu hartelijk leed dat ik u – God geklaagd – met een bedroefd hart, het grote ongeluk moet meedelen dat helaas de eerwaardige heer Doctor Martinus Luther, vandaag alhier te Eisleben, tussen 2 en 3 uur in de morgen, christelijk in God ontslapen is, zelfs nadat hij gisteravond nog gegeten en gedronken had en van zeer goede moed was. Na het eten echter heeft de ziekte ernstig toegeslagen en toen het vandaag in de nacht rond 1 uur weer opnieuw opkwam, hebben wij geprobeerd op alle mogelijke manieren menselijke hulp te bieden. God heeft hem echter in Zijn grote genade uit dit jammerdal willen wegnemen. Waar vorst Wolf von Anhalt, graaf Albrecht von Mansfeld, Philips en Hans Jörg, graaf, en raadsheer, graaf Heinrich von Schwartzburch, de vrouw van graaf Albrecht en de vrouw van de graaf von Schwartzburg, de artsen: doctor Ludwig en magister Simon Wilde, de heer doktor Justus Jonas, heer Michael Celius en verder veel andere adellijke personen bij aanwezig waren. Hij is christelijk en goed afgestorven, zijn ziel mag rusten, en dat God, de almachtige, ons allen ook genadig en barmhartig moge zijn. Hij is nu een kind van de eeuwige zaligheid, zoals ik u door dit schrijven wil meedelen.


Op 18 Februari, anno 1546,


de uwe,

Johannes Aurifaber.


In de kantlijn: Ach, dat God in de hoge hemel Zich over u en mij moge ontfermen, omdat ik u zulk een treurige boodschap moet mededelen!

Bron: Walch (2), 21.2 of XXI b, kolom 3212 / 3213, brief No. 3317

Originele brief in het staatsarchief te Zerbst


Tegen de religieuze en politieke tegenstanders van Luther, die over zijn sterven en heengaan uit deze wereld allerlei lasterpraatjes rondstrooiden.


Het laatste woord – onder aanroepen van Gods Naam – van de getuigen: dr. Justus Jonas, magister Michael Celius en Johannes Aurifaber Vinariensis:


Tot zulk een christelijke afscheid uit dit ellendige leven en tot zulk een eeuwige zaligheid, moge de eeuwige hemelse Vader ons allen brengen! Die God, Die de gemelde dr. Martinus tot dat grote werk geroepen heeft, en onze Heere Jezus Christus, Die hij getrouw gepredikt en beleden heeft, en de Heilige Geest, Die hem tegen de paus en alle poorten der hel zo’n wonderlijke vrede, grote dapperheid en hartelijke moed, door Zijn Goddelijke kracht, in zijn menigvuldige en hooggaande strijd gegeven heeft.


Wij, dr. Justus Jonas, magister Michael Celius en Johannes Aurifaber Vinariensis, allen hier reeds eerder genoemd: wij die zelf bij het zalige einde van de eerbiedwaardige dr. Martinus Luther geweest zijn, van het begin tot aan zijn laatste ademtocht, getuigen hier voor God, en op ons eigen heengaan [uit deze wereld] en ook op ons eigen geweten, dat wij in deze niet anders gehoord en gezien hebben. Dit getuigen wij tezamen met de vorsten, graven, heren en allen, die ook daarbij gekomen zijn, en verklaren dat wij het niet anders verhaald hebben, dan zoals het allemaal werkelijk gegaan en gebeurd is.
God, de Vader van onze Heere, Jezus Christus, mag ons allen Zijn genade schenken. Amen.

Bron: Walch (2), 21.2 of XXI b, kolom 3392





                                                                      Terug naar het begin

Reactie H.C. v.W. 1517  –  2017
Home Contact